Willem Witsen als netwerker

Ik heb wel bemerkt dat ‘k absoluut ongeschikt ben om ’n officieelen rol te vervullen. Ik mis de brutaliteit, de zelfbewustheid […] en laat mij op zij dringen en achteraf zetten (heel graag!) en als ‘k dan tevreden en onopgemerkt in ’n hoekje sta, ben ‘k heelemaal vergeten dat ‘k eigenlijk vertegenwoordig […] de Nederlandsche kunst. – Willem Witsen aan Gerrit Jan Hofker, 4 april 1915.

Op 30 december 1914 gingen Willem Witsen en zijn vrouw Marie aan boord van de Nieuw Amsterdam, het stoomschip dat hen naar New York zou brengen. Vervolgens reisden zij naar San Francisco. Daar werd, ter gelegenheid van de opening van het Panamakanaal, de Panama-Pacific International Exposition gehouden – een dusdanig groots evenement, dat het later officieel erkend zou worden als 20ste Wereldtentoonstelling. Witsen was als Commissioner of Fine Arts verantwoordelijk voor de inrichting van de Nederlandse afdeling in het Palace of Fine Arts: vier zalen met schilderijen, grafiek en sculpturen vol Nederlandse kunst.

Panama-Pacific_International_Exposition,_San_Francisco,_aeroplane_view,_1915Overzicht van het expositieterrein; het Palace of Fine Arts (met koepel) rechtsonder aan de vijver. (Library of Congress, Washington)
 

Was hij daar wel de juiste man voor? Zelf twijfelde hij daar voortdurend aan, zijn doofheid en verlegenheid maakten hem naar eigen zeggen ongeschikt voor het sociale verkeer. Maar hoe kwam hij dan aan zijn reputatie als centrale figuur in een wijdvertakt cultureel netwerk? En waarom was juist hij voor deze prestigieuze taak uitverkoren? Zijn brieven uit Amerika laten zien dat hij wel degelijk een strategisch en effectief opererend netwerker kon zijn, voor de  Nederlandse kunst en, als het zo uitkwam, ook voor zichzelf.

Het echtpaar arriveerde begin februari 1915 in San Francisco. Kort daarna organiseerde de Nederlandse consul-generaal Van Coenen Torchiana een diner, zodat zij kennis konden maken met de belangrijkste officials. Behalve de consul en zijn vrouw waren dat de vice-consul, de Chief Director van het Department of Fine Arts en diens assistent. Van deze introductie maakte Witsen direct gebruik. Meer dan eens deed hij bij praktische problemen – verkeerde wandbekleding, een gestolen beeldje, een conflict met een medewerker  – met succes een beroep op de consul of diens naaste medewerkers.

Met het inrichten van de tentoonstelling was Witsens werk in San Francisco niet afgelopen. Hij en Marie waren er ook en vooral om de Nederlandse kunst te vertegenwoordigen. Hoewel zij de overstelpende hoeveelheid invitaties (twee of drie per dag) enigszins in toom trachtten te houden, namen ze actief deel aan het sociale verkeer met z’n recepties, diners en bals. Daarnaast waren er talloze officiële bijeenkomsten. Witsen ging ook daar selectief mee om, maar kon op grond van zijn functie vaak niet ontbreken. Vanzelfsprekend was hij aanwezig bij het bezoek van de Amerikaanse vice-president Thomas Marshall aan het Hollandse Paviljoen.

Foto_SanFranciscoBezoek van de Amerikaanse vice-president  (vijfde van rechts, hoed in de hand), met Witsen (tweede van rechts, met snor) en De Kruyff (eerste van links, zonder hoed) (Ontleend aan: Willem Witsen 1860-1923)
 

Ook bezocht hij ambtshalve geregeld de zogeheten dedications: officiële openingen van  paviljoenen en exposities van deelnemende landen. Vaak ‘’n heel vertoon’, aldus Witsen, met ‘weer al die zelfde menschen en dezelfde speeches, veel mooie dames en leelijke hooge hoeden, zon, warmte en verveling!’ Persoonlijke motieven speelden soms ook een rol bij het besluit een bepaald evenement te bezoeken. Eind maart 1915 had Witsen in de krant het ‘onrustbarende bericht’ gelezen dat een Duitse onderzeeër het Nederlandse koopvaardijschip  Medea ‘in den grond [had] geboord’. Een paar dagen daarvoor had hij een invitatie gekregen van de Holland-America Line voor de opening van hun expositie in het Palace of Transportation, niet direct een plek waar men Witsen zou verwachten. Toch nam hij de uitnodiging aan,  ‘met ’t oog op mogelijke relaties waar ‘k wat aan hebben kan als we terug gaan’.

In de paar maanden dat hij in San Francisco verbleef wist Witsen talloze nuttige en vaak ook vriendschappelijke contacten aan te knopen. Waar het ging om zijn persoonlijke belangen was Marie onmisbaar. Om na afloop van de Exposition een rondreis door Amerika en Canada te kunnen financieren zochten zij betaalde opdrachten. Bij wijze van reclame begon Witsen met een portret van mevrouw Torchiana en de vrouw van een andere official  zonder daar honorarium voor te vragen.  Marie hield de dames tijdens het saaie poseren ‘met gezelligen praat’ aangenaam bezig. Via een etentje bij de Torchiana’s leidde dat tot een betaalde opdracht, die f 500 opleverde. Marie organiseerde vervolgens een receptie om deze en andere portretten te kunnen tonen in de hoop op vervolgopdrachten. Eerder al had zij bij de eerste ontmoeting met de wereldberoemde Nederlandse mezzosopraan Julia Culp die ten tijde van de Expositie enkele optredens verzorgde, gevraagd of Witsen haar portret mocht schilderen. Culp weigerde, waarop Witsen concludeerde dat zijn plezier ‘er meteen af’ was, al begreep hij best ‘dat zij die me waarschijnlijk zelfs nooit heeft hooren noemen, er weinig voor voelde’.  Maar de contacten werden niet verbroken, integendeel.  Zij bleven elkaar bezoeken en uiteindelijk heeft Witsen, terug in Nederland, alsnog haar portret mogen schilderen.

Liever dan met de officials ging Witsen om met mensen uit de kunstwereld, maar ook dan hield hij steeds het doel van zijn missie in het oog. Zo had hij kennis gemaakt met Christian Brinton, die hij ‘’n alleraardigste man’ en ‘’n gentleman met groote intellectueele begaafdheid’ noemde. ‘Ik denk dat ‘k veel aan hem hebben kan’ liet hij het thuisfront weten. Brinton was namelijk een der bekendste kunstcritici van Amerika met een voorkeur voor Europese kunst. Bovendien had hij een artikel in de pen voor het  invloedrijke tijdschrift The Studio: an illustrated Magazine of fine and applied Arts, met reproducties van werk van onder meer Breitner en Witsen zelf, plus foto’s van de door Witsen ingerichte zalen.

De (met onder meer een lunch in het beste restaurant van de Exposition) zorgvuldig onderhouden connectie met Brinton kon Witsen strategisch inzetten bij zijn laatste en misschien wel belangrijkste activiteit als Commissioner: het lidmaatschap van de Jury die, verdeeld over verschillende categorieën, de inzendingen moest beoordelen. Hij vroeg Brinton om samen met hem de Nederlandse belangen te vertegenwoordigen in de eerste groep omdat sommige juryleden in die groep ‘vijandig aan Europeesche kunst’ waren. De consequentie was dat er volgens de Rules and Regulations in de tweede groep geen Nederlandse vertegenwoordiger meer kon plaatsnemen. Maar ook daarvoor had Witsen een oplossing bij de hand in de persoon van de beroemde etser Joseph Pennell, die hij kort daarvoor had leren kennen. Pennell zou – mede aan de hand van recommandaties van Witsen  – de Nederlandse belangen behartigen en deed dat met succes: Witsen kreeg meer dan hij gevraagd had. Alles bijeen, concludeerde Witsen, was er alle reden om tevreden te zijn: ‘’k zal ± 30 onderscheidingen hebben voor de heele afdeeling en in verhouding met het aantal werken tot andere afdeelingen is dit aantal bekroningen buiten gewoon hoog.’ Daar zal de kwaliteit van de inzendingen niet vreemd aan zijn geweest, maar zonder Witsens effectieve optreden zou de score hoogstwaarschijnlijk minder gunstig zijn uitgevallen. Door zijn persoonlijkheid en achtergrond was hij bedreven in het leggen en onderhouden van contacten, maar er zat ook een eenzelvige kant aan zijn karakter, die maakte dat hij zich tegelijkertijd onzeker voelde. In zijn Amerikaanse brieven is de twijfel voortdurend aanwezig. Maar ze laten ook zien dat hij desondanks de Nederlandse kunst voortreffelijk heeft vertegenwoordigd.

PS: Een persoonlijke noot tot slot. Een omstreden theorie wil dat iedereen maximaal zes handdrukken verwijderd is van alle andere mensen op aarde. Hoe het zij, ik ben in elk geval slechts drie handdrukken verwijderd van Willem Witsen. De opa (links op bovenstaande foto, zonder hoed) van mijn echtgenoot was ten tijde van de  Panama-Pacific International Exposition namelijk Commissioner voor Nederlands-Indië. Witsen en hij raakten, zo blijkt uit de brieven, goed bevriend en bij het afscheid deed Witsen hem dit etsje cadeau, met het bijschrift: voor Mr. E. de Kruyff/San Francisco april 1915.

etsWillem Witsen, Brug, Oosterdok (Particulier bezit)
Annemarie Kets

Literatuur
Meer informatie in: J.F. Heijbroek, ‘Willem Witsen in Amerika.’ In: Geen schepsel wordt vergeten. […]. Red.: J.F. Heijbroek e.a. (1985, 121-142) en in: Willem Witsen 1860-1923: Schilderijen, tekeningen, prenten, foto’s. Red.:  Irene M. de Groot e.a. (2003)

Posted on