Schakend in de smoking room het mijnenveld door

’t Is wel ’n beetje ’n mal gevoel dat we elk oogenblik op een mijn kunnen loopen! Die verraderlijke dingen, zelfs als je ze zou zien, suggereeren geen idée van verschrikking en als ‘k die prachtige wilde zee aanzie, is ’t zelfs moeielijk om aan mijnen te denken – alles is zoo grootsch en prachtig en vol majesteit! ’t Andere is zoo klein en gemeen en heeft met de natuur niets uit te staan. – Willem Witsen aan Jacoba Witsen, 31 december 1914

Toen Europa in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog indook, kon nog niemand vermoeden dat de wereld er vier jaar later totaal anders uit zou zien. Aan het einde van de oorlog in 1918 had de vooroorlogse tijd van optimisme, zorgeloosheid en vooruitgang door het allesverwoestende en traumatiserende karakter van de oorlog plaatsgemaakt voor desillusie. Daarom gebruikt de geschiedschrijving 1914 vaak als scharnierjaar; er was een wereld vóór 1914 en een wereld erna. De wereld waar (onbewust) afscheid van was genomen werd na de oorlog weemoedig La Belle Époque genoemd. Natuurlijk waren er grote sociale problemen, maar het was ook de tijd van hoogtepunten in ontdekkingen en uitvindingen en nieuwe avant-gardistische kunst en literatuur.

In de laatste dagen van 1914 begon Willem Witsen aan een reis naar San Francisco, waar hij zou meewerken bij de Nederlandse afdeling van de Panama-Pacific International Exposition. Samen met zijn vrouw Marie stapte hij daarom aan boord van de Nieuw Amsterdam om naar Amerika te stomen. Deze overtocht gaf hem de unieke kans om de glorieuze kant van deze periode mee te maken. Voorzichtig laverend door zeemijnenvelden op de Noordzee en later stampend op de golven van een storm op de Atlantische Oceaan, voeren zij in de winter van 1914-1915 weg van La Belle Époque om zo’n acht maanden later aan boord van de Rotterdam terug te keren naar een ander Europa. Gedurende deze zeereizen schreef Witsen ‘dagboekbrieven’ aan zijn zus Jacoba. Door het leven aan boord te beschrijven, schetste hij onbewust een laatste beeld van La Belle Époque, waarbij de fatale oorlog zich steeds verder opdrong.

Toen de Nieuw Amsterdam op 30 december 1914 de haven van Rotterdam verliet, waren ook in Nederland – ondanks de neutraliteit – de gevolgen van de oorlog voelbaar. Zodra het schip Hoek van Holland bereikt had, werd het vanwege de zeemijnen een poos stilgelegd, bleef de kapitein op zijn post en werden de reddingsboten uit voorzorg in gereedheid gebracht. Deze voorzorgsmaatregelen lijken Witsen echter nauwelijks te hebben verontrust: ‘dat gevaar voor de mijnen wordt vreeselijk overdreven!’ Toch troffen de onderzeebootoorlog en de zeemijnen in de Noordzee ook vissersschepen, koopvaardij- en af en toe zelfs passagiersschepen. Zo was twee maanden eerder de Noordam (net als de Nieuw Amsterdam een passagiersschip van de Holland-Amerika Lijn) voor de Nederlandse kust op een zeemijn gelopen en zouden ook later verschillende HAL-schepen op een mijn lopen of getorpedeerd worden; enkele zouden zelfs zinken.

HMS Aurora (1913) mines closeup WWI IWM SP 001196 Britse zeemijnen aan boord van de HMS Aurora, ca. 1915-1918 (Imperial War Museums)

Toen de Nieuw Amsterdam verder de Noordzee op was gevaren, werd het aangehouden door een Engels politieschip. Er kwamen twee officieren aan boord, die anderhalf uur bleven om passagiers (‘waarschijnlijk Duitschers’) ter verantwoording op de commandantsbrug te laten komen, ‘meestal 3e klas passagiers met erge ongeruste gezichten.’ Witsen noemde dit bagatelliserend een ‘aardig incident’. Zodra ze Dover waren gepasseerd (waar ze enkele oorlogsschepen met zoeklichten zagen) verzwakte de oorlogsreuring tot een flauwe echo; slechts terloops vermeldde Witsen het vergaan van andere schepen in het Kanaal.

Zijn overige brieven gaan – behalve over de storm waar veel passagiers ziek van werden – veelal over het weelderige leven van een eersteklas passagier. Al bij vertrek roemde Witsen het schip: ‘’t lijkt meer op een gezellig hotel en alles is even practisch en luxueus ingericht.’ De Nieuw Amsterdam was een van de eerste luxe schepen van de Holland-Amerika Lijn die kon concurreren met grote, buitenlandse rederijen. Het deed niet mee in de strijd het snelst de oceaan over te steken, maar dat hoefde ook niet; passagiers zouden de Holland-Amerika Lijn kiezen voor een comfortabele oversteek  in plaats van een snelle overtocht, waarbij de motoren het schip constant zouden laten schudden. Voor de eerste klas was er een grote diversiteit aan luxe hutten en vertrekken. Witsens verwondering hierover klinkt in al zijn brieven door. ‘Alles is zóó geriefelijk en er is ’n piano in de library, ’n heel rustig, groot vertrek, en ’n Japansche tea room boven op ’t dek!’ Vooral deze tearoom was erg populair en werd in de pers geroemd om de innovativiteit. Ook de voorzieningen aan boord waren in Witsens ogen voortreffelijk. ‘Zoo’n boot is toch wel ’n merkwaardigheid – je kunt er letterlijk alles krijgen, en alles prachtig.’ Er was altijd vers brood, vis, vlees, wild en fruit en het schip had zelfs een eigen drukkerij voor het drukken van de menu’s en de programma’s (‘altijd muziek aan tafel en ’s av[onds] in de social Hall’).

WOI#Menukaart
De Nieuw Amsterdam met de Japanse tearoom en de vleugel in de Social Hall, 1907 (www.gjenvick.com)

Ook schreef Witsen over de overvloed aan eten: de hele dag stonden er ‘hier en daar onder glazen stolpen, sandwiches met ham en rookvleesch en kaas!’ Bij de thee was altijd iets te eten, en de stewards droegen allerlei koekjes, gebakjes en chocolade aan. Maar het meest curieus vond Witsen de verse bloemen: ‘’k begrijp absoluut niet hoe die bewaard worden!’

Het leven aan boord beviel Witsen wel: ‘’t is heel gezellig en vol afwisseling’. Terwijl de dames ’s avonds vaak bij elkaar op visite gingen, zaten de heren in de smoking room. Daar leerde Witsen ene meneer Enthoven kennen; een man met wie hij vaak schaakte en die ’s avonds ‘allerlei vreeselijk moeielijke dingen van Chopin, Schumann, Mendelsohn etc,.’ op de vleugel in de Social Hall speelde. Maar behalve over het leven van de beau monde schreef Witsen ook over de grote klassenverschillen op het schip.  Op 9 januari – het schip was op dat moment bijna in New York – kreeg Witsen onder begeleiding van de eerste officier een bezichtiging van het hele schip: ‘de 3e klasse met schilderachtige landverhuizers en vuile kinderen’, de duizenden kanaries in het ruim die naar Amerika geëxporteerd werden en de machinekamer met de ‘groezelige stokers’. Witsen beschreef de bevolkte gangen van de onderste dekken als ‘’n stad bij avond, nauwe stegen, waar je allerlei fantastische figuren tegen komt […] als je dan weer boven komt in de eerste klasse met al die luxe en comfort, zelfs overladen rijk, is ’t wel ’n geweldige tegenstelling en vraag je je met verwondering af of dit ’t zelfde schip is!’

Eind augustus reisden Witsen en zijn vrouw terug naar Nederland. Halverwege juli stuurde Witsen een postkaart naar zijn vriend Maurits Benjamin Mendes da Costa met het korte bericht ‘Uiterlijk half Sept[ember] zijn wij weer thuis als de mijnen en submarines ons met rust laten.’ Zodra het schip in het Engelse Falmouth was aangekomen, stuurde Witsen zijn zus een brief. Meer dan in zijn dagboekbrieven van de heenweg klinkt hierin de ernst van de oorlogsdreiging door. Waar hij het mijnengevaar in januari nog wegwuifde als overdreven, noemde hij het in augustus een geruststellende gedachte dat er een Engelse officier aan boord kwam die de weg door het mijnenveld kende. Het schip was in opperste paraatheid gebracht: ‘De vlag is geheschen en is ’s nachts belicht boven in de mast met sterk electrisch licht, ’n mooi gezicht in ’t donker van den nacht. Vooral de dames waren er enthousiast over: ‘“is n’t it pretty?” [h]oorde je van alle kanten! En ook de reuze letters “Rotterdam” zijn in den nacht belicht: alles voor de submarins.’ Hoewel deze voorzorgsmaatregelen gericht waren tegen de dreiging van zeemijnen en onderzeeërs, bleek de oorlog op een andere manier al geruime tijd onopvallend aan boord te zijn: ‘Er was ’n Amerik[aan] dien M[arie] niet kon uitstaan en die veel met me schaakte. Die is van morgen ingepikt door de Eng[elsen]. ’t Was ’n spion. […] ‘k Vertel je daar ook later van, ’n heel interessant geval.’

Pieter Huijgens (medewerker Brieven en Correspondenten rond 1900)

Posted on