Het ‘incident-Verwey’

Bij dezen deel ik u mede, dat ik behoor tot diegenen, die beweren, dat gij met uw artikel over Arti een weergaloozen en gewetenloozen ploertenstreek verricht hebt […] patser dat je bent – Charles van Deventer aan Albert Verwey, 8 april 1888.

Jan Veth, Portret van Albert Verwey, 1885 (Rijksmuseum, Amsterdam)

Dit portret, van de Tachtiger Albert Verwey, geschilderd door zijn mede-Tachtiger Jan  Veth, kreeg bij de heropening van het Rijksmuseum in 2013 een prominente plek in de zaal met 19de-eeuwse kunst. Prominenter nog werd het doordat de Dichter des Vaderlands, Anne Vegter, haar gedicht ter gelegenheid van de heropening aan Veths schilderij wijdde:  ’13 april 2013, portret Albert Verwey, 1885, eerste verdieping entree rechts dan rechts aanhouden’.

Veths werk was voor het eerst te zien geweest in het najaar van 1885, tijdens de ‘Tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters’, georganiseerd door de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae in Amsterdam. Zijn schilderij werd in de pers lovend besproken en dat leverde hemzelf èn Verwey, beiden nog jong en nauwelijks bekend, veel publiciteit op. Toch was Veth niet tevreden, integendeel. ‘Wat kletsen die lui in de krant toch!’, schreef hij woedend aan Verwey, ‘Zulke lui blameeren je door je werk mooi te vinden’. Ook in het openbaar gaf hij uiting aan zijn verontwaardiging, zij het onder pseudoniem (Samuel), in de zojuist opgerichte Nieuwe Gids.  In een kort polemisch stukje maakte hij korte metten met de dagbladkritiek: ‘koffiepraatjes’, ‘onleesbare vertoogen’, ‘stokpaardjes die altemaal uit de oude doos zijn’.  Was er maar, voor mensen met belangstelling voor eigentijdse kunst, een onafhankelijk tijdschrift, dat ‘vecht […] voor zuiver artistieke beginselen, zonder ontzag voor machthebbenden’. Veth had, zo liet hij Verwey achteraf weten, niet alleen voor zichzelf gesproken. Ook andere schilders hadden genoeg van het ‘kritiekgebeuzel’ en waren net als hij op zoek naar een orgaan voor serieuze kunstkritieken.

Dat werd vooralsnog De Nieuwe Gids, die blijkens de ondertitel behalve de Letteren en Wetenschap ook de Kunst tot zijn domein rekende. Nog in de eerste jaargang publiceerde Willem Witsen met medewerking van Veth onder het pseudoniem W.J. v. W. (een samenvoeging van hun beider initialen) een principieel betoog, waarin zij afrekenden met de dagbladcritici en hun ‘koekebakkerssmaak’ en een verheven beeld schetsten van de ideale kunstcriticus. Alleen kunstenaars waren in staat om kunstwerken te beoordelen. Als ‘tolk en wegwijzer’ moesten zij het ‘ongevormd kunstbegrip’ van hun lezers helpen ontwikkelen. Tussen de serieuze kunstkritiek en de verwerpelijke krantenstukjes zagen zij overigens nog wel een tussenweg,  voor letterkundigen. Als die hun impressie van een schilderij in woorden zouden weergeven dan zou dit weliswaar niet leiden tot een kunstkritiek, maar wel als ‘fraaie lyriek’ literaire waarde kunnen hebben.

Verwey zal zich door de laatste mogelijkheid aangesproken hebben gevoeld. Van huis uit was hij weliswaar niet vertrouwd met de beeldende kunsten, maar hij had een paar jonge kunstenaars leren kennen , die hij geregeld in Amsterdamse cafés ontmoette of met wie hij  correspondeerde. Via hen leerde hij beter kijken. Maurits van der Valk bij voorbeeld had hem tijdens een bezoek aan het Rijksmuseum gewezen op ‘dingen […] waar ik zelf zoo niet op lette […]. Ik ga er nog eens met hem heen om Willem Maris, Mauve, Neuhys, Tholen etc op nieuw te bekijken’.

Dat was in oktober 1886. In de zomer van 1887 publiceerde Verwey in De Nieuwe Gids een kort stukje over ‘Het Album van de Nederlandsche Etsclub’,  enkele maanden later gevolgd door een uitvoeriger beschouwing over ‘Vijf teekeningen op de tentoonstelling der Hollandsche Teekenmaatschappij’. Aanvankelijk stelde hij zich bescheiden op: het eerste stuk was naar eigen zeggen ‘geen beoordeeling’, maar slechts ‘een weinig karakteristiek’ van enkele etsen uit het Album. In het tweede stuk  ging hij een stap verder. Hij maakte een onderscheid tussen echte kunstcritici (met verplichtingen tegenover het publiek en hun mede-kunstenaars) en zichzelf als een onafhankelijk publicist, die op zijn eigen manier over kunst wilde schrijven en in ‘een rustig hoekje’ van De Nieuwe Gids ‘nu en dan’ wilde vertellen wat hij mooi vond. Kennelijk kon Witsen zich in deze aanpak wel vinden, want kort hierna spoorde hij Verwey meermalen aan nog eens over kunst te schrijven : ‘je doet dat veel beter voor ’n letterkundig tijdschrift dan wij’.

Verweys volgende artikel over beeldende kunst verscheen echter niet in De Nieuwe Gids, maar in een dagblad, De Amsterdammer van 8-9 april 1888, onder de titel ‘Tentoonstelling van Teekeningen in Arti’. Het stuk veroorzaakte grote onrust  onder de jonge schilders en schrijvers: zij zochten elkaar op om over het ‘incident-Verwey’ te praten of luchtten hun hart per post.  Verwey zelf leverde het een storm van voornamelijk uit persoonlijke aanvallen bestaande kritiek op. Charles van Deventer  was het meest uitgesproken. Direct op 8 april al schreef hij Verwey dat hij en (niet bij name genoemde) anderen het artikel een ‘weergaloozen en gewetenloozen ploertenstreek’ vonden. Zijn verwijten logen er niet om: om bij het publiek in de gunst te komen en ter voldoening van zijn ijdelheid en geldzucht had Verwey zijn ‘medestrijders, vrienden en meesters’ belasterd en De Nieuwe Gids in gevaar gebracht. Een dag later sprak Van Deventer met Witsen over de kwestie. Ook die was verontwaardigd: Witsen was echter niet verbaasd over Verweys actie en achtte hem in staat ‘nog wel erger dingen [te] doen […], omdat het hem alleen te doen is zooveel mogelijk opgang te maken’.

Advertentie van de ‘Tentoonstelling van Teekeningen van Levende Meesters’ in De Amsterdammer: Dagblad voor Nederland, 31 maart 1888 (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag)

Frederik van Eeden hoorde op 9 april van de ‘onaangenaamheden’ en schreef Verwey diezelfde dag nog een uitvoerige brief, die een goed beeld geeft van wat men Verwey nu eigenlijk kwalijk nam. In De Amsterdammer had Verwey getoond wat hij precies verstond onder op zijn eigen manier over kunst schrijven. Dat hield in dat hij afstand nam van de kunst- en literatuurkritiek van Tachtig, die hij als volgt typeerde: ‘Veel van wat over boeken en schilderijen in krant of tijdschrift geschreven wordt, bestaat toch in hoofdzaak sinds lang uit de bewering: Jullie daar hebt ongelijk, dat je dit mooi en dat leelijk vindt, en ik zal jullie eens beter inlichten’. In plaats daarvan zou hij het heerlijk vinden, ‘heerlijk voor mezelf [en] heerlijk voor de schilders […] als ik veel menschen door mijn schrijven kon doen voelen hoe goed het voor hen zijn zou […] te letten op wat ik mooi vind’. En daarom wilde hij voortaan alleen nog maar schrijven over werk dat hij bewonderde.

Maar, vroeg Van Eeden hem, ‘Wat heb je tot nog toe anders gedaan, jij en wij allemaal, dan de menschen aan ’t verstand brengen dat ze het mis hadden met dit of dat mooi te vinden.’ Nu, voegde hij eraan toe, ‘laat je niet alleen jezelven maar ons allen voor Piet Snot staan. Jezelven met je stukken in de N[ieuwe] G[ids] over poezie, Kloos met zijn kritieken, de Stemmingen [verwijzing naar de pseudoniemen van Veth, Eduard Karsen en Van der Valk] met hun kunst-kritieken’. Verwey had niet zijn eigen gang moeten gaan, maar de eenheid moeten bewaren, want: ‘Je moet […] niet vergeten […] dat wij nog lang niet sterk genoeg zijn om kromme sprongen te wagen’. Verwey erkende dat hij ‘onverstandig’ had gehandeld, hij had zich niet gerealiseerd dat zijn ‘nonchalante ongegeneerdheid’ zoveel mensen van streek zou kunnen maken. Tegelijk legde hij de schuld voor de ophef bij anderen: dat er zoveel vuil was opgeborreld kwam niet doordat hij een steen in het water had gegooid, maar door de modder op de bodem.

Verweys nog maar net begonnen ontwikkeling als kunstcriticus eindigde hier abrupt. Voorlopig zou hij geen kunstkritieken meer publiceren, ook niet het in De Amsterdammer beloofde vervolgartikel. Kennelijk was hij tot de conclusie gekomen dat hij zich beter kon beperken tot de literaire kritiek. Er is één brief bewaard gebleven die hier enig licht op werpt: een onvoltooide en niet verzonden brief aan Witsen van enkele maanden later. Verantwoordelijk, aldus Verwey, waren wederom de anderen: de ‘jonge schilders […], die hechten aan schrijven over schilderijen’ èn de schilders ‘die niet aan zulk schrijven hechten’.  De schilder-critici deden naar zijn zeggen niet veel meer dan de leuzen uit de beginperiode van Tachtig napraten. ‘Kunst moet gevoeld wezen, zeggen ze. Natuurlijk. Maar dan doet ieder of gevoeld is wat hij voelt en wat hij niet voelt on-gevoeld’. De anderen werden boos wanneer die leuzen niet ‘in hún voordeel’ werden uitgelegd. En dat alles, aldus Verwey, ’doet mij niet zoo bar veel houden van wat er geschreven wordt over kunst. Dat maakt dat ik zelf me liefst heel niet waag in dat geharrewar.’

Annemarie Kets

 

Literatuur

Meer over de kunstkritiek in deze periode: Carel Blotkamp, ‘Kunstenaars als critici. Kunstkritiek in Nederland 1880-1895’. In: De schilders van Tachtig. Nederlandse schilderkunst 1880-1895. Red. Richard Bionda e.a. (1991, 75-87)

Posted on