Georganiseerd uitvreten (over particuliere culturele crowd funding)

Zou het je niet mogelijk zijn mij morgen honderd vijftig gulden te leenen – George Hendrik Breitner aan Willem Witsen, 7 september 1921

In Bloed en rozen reproduceert Jacqueline Bel het standaardbeeld van de Tachtigers als bohemiens:  Kloos, Van Deyssel en Boutens konden een vaste werkkring niet combineren met hun kunstenaarschap. ‘De Tachtigers kozen welbewust voor onmaatschappelijkheid.’ Dit beeld is niet onjuist, zoals blijkt uit een brief van Willem Witsen aan Jac. van Looy (1885-11-19):

… talent is geen vrijbrief, en nooit geweest. Zoowel in den Haag als in Amsterdam zijn tegenwoordig jongelui die niets verdienen en niets hebben om van te leven. o.a. Breitner die, naar ‘k hoor, koloniaal wil worden om ’twereonderkomen te hebben.-

Bel snijdt in haar poly-perspectivische boek veel onderwerpen aan, ook die voorheen onderbelicht bleven, en biedt tevens gegevens die te lezen zijn als contra-indicaties. Sommige Tachtigers  beschikten namelijk over een (aangetrouwd) familiekapitaal en anderen leefden van de vrijgevigheid van meer gefortuneerden. En over Gorter bijvoorbeeld noteert Bel terecht dat die gewoon een baan als leraar had (net als Diepenbrock, trouwens).

Maar dan Lodewijk van Deyssel, die altijd in geldnood zat: ‘Aanvankelijk logeerde hij vaak bij het echtpaar Verwey in Noordwijk en ook Van Eeden stopte hem regelmatig geld toe.’ Maar zowel Albert Verwey als Frederik van Eeden zijn mede-Tachtigers. Ze zouden dus ook bohemiens kunnen zijn. Dan ontstaat er de vreemde situatie dat de ene zwerver de andere uitvreter financieel ondersteunt. Dat lijkt me de dood in de pot.

Ik piekerde hierover en vroeg me af hoe dat nou zit met bohemiens en poen (zie In den vroolijken hermeneut). De digitale bronnenbank Brieven en Correspondenten rond 1900 leek me een uitgekiend middel voor een zoektocht naar althans een begin van een antwoord.

De veelkantige zoekmachinerie van deze bronneneditie heb ik, amateur dataminer, nog maar slecht gebruikt (ik hoop op integratie van een handleiding op dat vlak). Maar al bot vangend met zoektermen die te veel opleverden of juist niets (kostwinner, inkomen, gulden), las ik brieven die me verder leidden naar verwante, interessantere sleutelwoorden: fonds en lijfrente.

Al bladerend kwam ik fonds tegen in een brief van Isaäc Israels aan Willem Witsen van 18 april 1918:

Onlangs was onze vriend Jan H. bij mij en vertelde van Wim dat hij naar de Amst. akademie zou gaan enz. Zij schijnen het allemaal dolgraag te willen. Maar natuurlijk – de finantiëele questie. Nu zeide je mij laatst dat je van plan was een soort ‘fonds’ voor dien jongen te willen in orde maken.

Mede op basis van een andere brief (Veth aan Witsen, 1921-01-25) is vast te stellen dat het een van de zoons van (Gerrit) Jan Hofker is, voor wie hier ‘finantiëele’ ondersteuning wordt geworven, maar belangrijker is het daartoe ingezette middel: een fonds. En ook de naam van Witsen in dit verband.

FS#WW en Betsy
Willem Witsen en Betsy van Vloten, 1893 (Prentenkabinet UB Leiden)

Witsen was, dankzij zijn eigen familiekapitaal en dat van zijn eerste vrouw Betsy van Vloten, ‘een maecenas voor veel van zijn schilders- en dichtersvrienden’ (J.W. Schulte Northolt in het Biografisch woordenboek van Nederland). Hij was tevens een belangrijke speler op het particuliere culturele fondsenveld. Een en ander kan afgeleid worden uit het volgende, luchthartige, citaat uit een brief van Willem Kloos aan Witsen (1894-12-04):

De Nieuwe Gids komt weêr tot stand. Eigenaars zijn dan ik, Hein [Boeken] en S.L. v. Looy. Ieder van ons drieën moet dan beloven, over vijfhonderd gulden te  kunnen disponeeren. Zou je me nu eventjes kunnen laten weten, of Hein en ik, wat jouw[!] ressources betreft, daartoe in staat zijn?

Een bekend geval van onderlinge, pre-institutionele culturele crowd funding, is een casus die Bel ook aanstipt in Bloed en rozen: het geschenk dat Lodewijk van Deyssel wordt gedaan bij zijn koperen huwelijksfeest. Op 29 september 1899 schrijft Albert Verwey aan Witsen:

Er is een plan in de maak om de Thijms op hun koperen bruiloft (26 Novr. a.s.) een lijfrente te geven, groot genoeg om alle losse bijdragen voor goed te doen ophouden. Als je bedenkt hoe onzeker voor hem en zijn gezin en hoe demoralizeerend te gelijk dat noodzakelijke gebedel is, […] dan zul je ’twaszeker eens zijn dat, indien het mogelijk was aan dat alles met één slag een end te maken, die voor alle partijen gewenscht zou zijn.

Er bestond al een fonds voor de Thijms, dat beheerd werd door Frederik van Eeden en (C.F. ?) van der Horst. Daar werd voortdurend voor geworven, opdat er voortdurend in werd gestort. Dat verklaart de wat kregele zinsnede in Verweys brief: ‘om alle losse bijdragen voor goed te doen ophouden’.

Verwey, ook gehuwd met een Van Vloten, Kitty, zinspeelt op zijn eigen situatie: meer dan eens stuurt hij Van Deyssel, op diens verzoek, een brief met ingesloten bijvoorbeeld een bankje van vijftig pop.

Jan Toorop roept de hulp in van Witsen (1908-02-18) bij het vormen van een fonds voor ‘een zeker heer Froonen, die goed aanleg en een groote liefde heeft om te schilderen, doch steeds zijn brood moest verdienen, zeer slecht, in een plateelfabriek, die binnenkort ophoud te bestaan.’ Toorop schonk Hein Froonen, een van zijn leerlingen, al een werk van eigen hand, om te verzilveren. ‘Ten einde eene kleine fonds voor zijne studiën bij elkander te krijgen, zou ik het hartelijk van je vinden, indien je hem ook iets van je werk zou willen geven.’

FS#Zelfportret Breitner
G.H. Breitner, Zelfportret, 1887 (Stedelijk Museum, Amsterdam)

Inmiddels gaat het nog steeds niet goed met George Hendrik Breitner. Over hem schrijft Witsen op 23 april 1917 aan Jan Veth:

Ik had je zoo graag eens gesproken over die lijfrente. Br. is niet sterk en ‘k vrees wel dat hij niet oud zal worden. Er zijn zekere indices die ’twerelang leven onwaarschijnlijk maken. In dat geval heeft, behalve deze of gene [verzekerings]Maatschappij, niemand iets aan ’twasgeld dat wij bij een trachten te brengen. ’twasLijkt mij ook een mooier hulde aan hem als wij een fonds zouden kunnen stichten waaraan zijn naam blijvend verbonden bleef, na zijn dood.

Dat fonds wordt nog datzelfde jaar opgericht. Het bestaat nog steeds, net als het twee jaar later opgerichte (officiële) Willem Kloos-fonds. In dezelfde brief refereert Witsen nog aan ‘een Willink van Collen fonds’ en ‘een David fonds’. Fondsen tierden, kortom, welig.

Breitner putte gretig uit ‘zijn’ fonds; in een brief uit 1917 (datum niet bekend) bericht hij Witsen:

Heden wilde ik een voorschot van vijftig Gulden opnemen van het fonds, maar men maakte daar bezwaar tegen. Ik mocht alleen 2 × maal per maand disponeeren, maar als gij het goedvond wilden zij het doen.

Wanneer het slecht gaat met Alphons Diepenbrock, wordt voor hem en zijn vrouw snel een fonds bijeengebracht (een kleine 30.000 gulden). Dat meldt Veth op 25 januari 1921 aan Witsen, die dan in Indië is. Fons overleed op 5 april van dat jaar. Maar Breitner leefde nog en zijn geldnood eveneens. Op 7 september 1921 schrijft hij Witsen:

Zou het je niet mogelijk zijn mij morgen honderd vijftig gulden te leenen […]. Je zou mij daarmede zeer verplichten.

Achter ‘leenen’ staat in de marge, niet met inkt maar met potlood, een plusje genoteerd, en onderaan het briefje, wederom met potlood: ‘maar niet van het fonds, want dat moet ik aan mijn vrouw af geven’.


George Hendrik Breitner aan Willem Witsen, 7 september 1921 (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag)

Het kan ook anders: in een ongedateerde brief betuigt Jan Hofker zijn grote dankbaarheid voor een koffer vol tweedehands kleding van Witsen: ‘Ook Marie laat je vriendelijk dankzeggen. Je hebt me voor tijden op mijn gemak gezet en ik spaar er een massa door uit op den duur. Het is als eene lijfrente.’ En opgewekt sluit hij af met: ‘Marie, die tegenwoordig ingericht is op ’twasdragen van bretels, heeft het groene paar ten geschenke gekregen. Ze zitten haar heel makkelijk.’

Fabian R.W. Stolk (docent Moderne Nederlandse letterkunde UU, stagedocent; zijn studenten werkten in het kader van werkcolleges en als stagiair mee aan de totstandkoming van Brieven en Correspondenten rond 1900)

Posted on